21-10-07

Zwaar probleem, deel 3 (21-10-07)

Is er wat aan te doen?

Voeding bij 'Herstel en Balans': een vertaling van literatuurgegevens naar praktijk
Zoals blijkt uit de literatuurstudie, kampt een groot aantal (ex-)borstkankerpatiënten met gewichtsstijgingen waarbij tegelijkertijd de vetmassa toeneemt en de vetvrije massa afneemt. Deze afname in vetvrije massa en de vermindering van spierkracht dragen mogelijk bij aan kankergerelateerde vermoeidheid.

(...)

Verkennend onderzoek
Naast literatuuronderzoek is een pilotstudy gedaan onder een aantal deelnemers aan het 'Herstel en Balans'-programma van MMC. Doel hiervan was inzicht verkrijgen in gewichtsverloop, voedselinname en behoefte aan voedingsinformatie bij deze patiëntengroep. Enkel de resultaten van (ex-)borstkankerpatiënten worden hier beschreven.

Gewichtsverloop gedurende 'Herstel en Balans'
Het gewicht van de deelnemers aan 'Herstel en Balans' werd bepaald aan het begin (week 0) en aan het einde van het revalidatieprogramma (week 18). Het verschil in gewicht tussen de twee meetmomenten is tot op heden berekend van 55 vrouwen die zijn behandeld voor borstkanker. Op individueel niveau werd zowel gewichtstoename als gewichtsverlies gezien. Bij een aantal vrouwen trad geen gewichtsverandering op. Vrouwen met een gewichtsstijging waren in de meerderheid (55%).
Binnen deze groep was de mediane gewichtstoename over 18 weken 2 kg. Per jaar zou dit een aanzienlijke gewichtstoename betekenen.

Energie-inname, gewichtsverloop in relatie tot energie-inname en eiwitinname
Een aantal deelnemers noteerde in een driedaags eetdagboek de voedselinname op drie momenten: voorafgaand aan 'Herstel en Balans', in week 6 en in week 12 van het trainingsprogramma. Inmiddels zijn enkele resultaten bekend van een kleine subpopulatie, bestaande uit 12 (ex-)borstkankerpatiënten, waarvan het gewicht bekend was van zowel week 0 als van week 18 en die tevens alle drie de eetdagboeken correct hadden ingevuld.

De energie-inname was lager dan de energiebehoefte . Er werd bij deze groep geen relatie gevonden tussen de verandering in energie-inname en
de verandering in gewicht. Immers, een aantal vrouwen bij wie de
energie-inname verminderde gedurende het programma, viel in deze periode niet af maar kwam juist aan. De inname van eiwitten bleek bij de onderzoeksgroep significant hoger dan de behoefte (81 ± 17 gram vs 52 ± 5 gram).

Zijn voedings- en trainingsinterventies effectief?
Het is de vraag of een energiebeperkt dieet en beweging deze vrouwen zouden kunnen helpen bij gewenste gewichtsreductie. Er kunnen immers andere dan voedings- en bewegingsfactoren zijn die zorgen voor een toename in gewicht. Factoren waarop de patiënt geen invloed heeft.
Is daar wel 'tegen op te lijnen'? In de literatuur zijn effecten van enkele voedings- en trainingsinterventies beschreven.

Lichaamsbeweging gedurende de kankerbehandeling lijkt het gewichtsverloop positief te kunnen beïnvloeden.
Uit verschillende studies is aangetoond dat borstkankerpatiënten gemiddeld minder in gewicht toenemen wanneer zij aan lichaamsbeweging doen in de periode van adjuvante chemotherapie.
Er zijn elf studies gepubliceerd die dieetinterventies onderzochten bij (ex-)kankerpatiënten. De onderzochte voedingsinterventies kunnen hierbij worden verdeeld in drie groepen:
*energie-beperking
*vetbeperking
*plantaardig, laag vet dieet.
In acht studies werden gewichtsveranderingen meegenomen. Met uitzondering van een studie(energiebeperking) werden in deze onderzoeken significante gewichtsverbeteringen gezien. Het betreffen echter onderling verschillende, relatief kleine, korte-termijnstudies.

Momenteel wordt er in twee grote, gerandomiseerde klinische trials onderzocht of een verandering in de voedingssamenstelling het risico op recidief kan verlagen en de overleving kan vergroten bij vrouwen die worden behandeld voor borstkanker.
Het gaat hierbij om de Women's Intervention Nutrition Study (WINS) onder 2500 postmenopauzale borstkankerpatiënten en de Women's Healthy Eating and Living Study (WHEL) onder 3088 pre- en postmenopauzale borstkankerpatiënten.

In beide studies gaat het om interventies met diëten met een zeer laag gehalte aan vet.
In de WHEL-studie wordt tevens een hoge groente-, fruit- en vezelinname nagestreefd bij de interventiegroep.
Ondanks de zeer lage hoeveelheid vet in beide interventievoedingen, laten tussentijdse resultaten slechts een matige daling in gewicht zien. Zo wordt in een pilot van de 'WINS'-studie na drie jaar slechts ± 1,8 kg verschil in gewicht gezien tussen de interventie- en controlegroep.


BRON : Medisch Journaal 2005, jaargang 34, nummer 4