18-09-08

Controle

Einde vorige maand heb ik een grote controle laten uitvoeren. Longen, lever, bot… de hele zooi werd weer even doorgelicht. ’t Bleek allemaal goed nieuws, ik ben ‘clean’.

En toch…

 

’t Was geen pretje. Aanvankelijk verraste ik mezelf : ik was nauwelijks nerveus, ging met veel vertrouwen de onderzoeken in, geloofde in de goede uitkomst. ’t Was bijna een toeristisch uitstapje. Angst zat nochtans mee te kijken op mijn schouder. Zeker toen ik, na de radiologie, abnormaal lang moest wachten op de uitslag van mijn longen. Vijf minuutjes moest ik wachten, dan kon ik meteen mijn foto’s meenemen, zeiden ze. Vijf minuten werden er tien. En vijftien. En twintig. Angst begon al te grijnzen. Niks aan de hand, sprak ik mezelf vermanend toe, en moedig stapte ik op de verpleegkundige af… of ze me misschien vergeten waren?

Nee, helemaal niet, ze vond het erg vreemd dat de uitslag er nog niet was, want die van mijn lever lag hier al een hele tijd te blinken en de dokters wisten nochtans dat het dringend was, dat ik op mijn uitslag zat te wachten, ze snapte er zelf niks van. Dit was ongewoon, benadrukte ze nog. Ze zou het nog eens gaan vragen.

 

Angst verkneukelde zich : ‘Nog altijd zo moedig, meisje? Er is zeker wat mis, woehaha’. Na drie kwartier opnieuw mijn moed bijeen gepakt : ik wil niet blijven wachten, ik ga even wandelen en kom later wel terug. Neenee, zegt de verpleegkundige, niet nodig, ze zijn bezig aan het protocol (de begeleidende brief met conclusies voor de behandelende arts) en het komt er zo aan.

 

Waarom moet dat fucking zo lang duren om drie zinnen op papier te zetten dat alles ok is?

 

Na bijna een uur roept ze me : ’t is er. Ze moet het vonnis nog in een envelop steken. Mijn ogen proberen snel te scannen wat ik ondersteboven kan lezen. Lukt niet. ‘Mag ik even kijken?’ vraag ik. ‘Nee’, zegt ze na enige aarzeling, ‘dat mogen we niet doen. We moéten het in gesloten envelop afleveren aan de patient’. Terwijl ze het vod in een envelop murwt, voegt ze er fluisterend aan toe : ‘Maar wat jij zo meteen buiten met die envelop doet, dààr heb ik geen zaken meer mee’ knipoogt ze met een samenzweerderig lachje.

Ik ruk de hele zooi uit haar handen en loop naar buiten. Begin zenuwachtig de enveloppe open te trekken. Het staat er, het verlossende nieuws : alles zuiver. Niks verdachts te zien.

Angst komt niet meer bij van ’t lachen. Billenkletsend zit Hij op mijn schouder. Leuk hoor, grapjas. Héél leuk.

 

Een vergelijkbaar scenario bij de botscan. Je ligt languit op een smalle tafel terwijl er tergend langzaam een scanner over je lichaam schuift, van kop tot teen. Naarmate het toestel vordert, verschijnt de beeltenis van je skelet op het computerscherm ernaast. Ook zo’n geweldige : even een blik op je verre (hoop ik) vergane toekomst. Als er wat mis is, verschijnt er een lichte vlek op het scherm, waar de contraststof in het kwaad blijft steken. Ik voel me rustig, val bijna in slaap. Even een tukje doen, houd ik mezelf voor. Met een half oog op het computerscherm. Ter hoogte van mijn bekken schrik ik me rot : een opgelichte spot ter hoogte van ruggegraat. Shit! Dat is precies de plaats waar ik al een hele tijd zeurende rugpijn heb. Lap, ‘k heb ervan. Zou ik iets durven vragen aan die man die de scanner bedient? Ik moet wachten. Tot het toestel mijn hele lijf gescand heeft. Tergend traag schuift het over mijn benen, mijn voeten… Ik probeer onverschillig te klinken wanneer ik me tot de verpleger richt. Wat die grote vlek boven mijn derrière betekent. ‘Oh, dat zijn je nieren’ antwoordt hij gelukkig met ongeveinsde vastberadenheid. ‘De contraststof wordt via je nieren met de urine uitgescheiden. Dat is wat je ziet’. Oef. We zijn er weer vanaf…

 

Donderdag, 9 uur. We zijn twee dagen later en ik mag bellen voor mijn uitslag. Ik ben redelijk gerust, longen en lever zijn al zeker ok, dat weet ik al uit het protocol. Nu het bot nog. Voor alle zekerheid blijf ik toch even op de parking van het werk staan om te bellen, voor ik het kantoor binnenstap. Er zijn leuker dingen dan een doodsvonnis krijgen omringd door collega’s. Je weet maar nooit.

De dokter is er niet, ze zal mij terugbellen zodra ze kan. Nee, het heeft geen zin dat ik zelf bel, ze is in raadpleging. Ik ga dus maar werken. Heb gelukkig de hele voormiddag vergadering en word verplicht mijn focus op het werk te houden. Het is 13u (13uur!) als ik eindelijk het verlossende telefoontje krijg : we zijn met glans geslaagd in ons examen.

 

Ik ben blij, maar niet helemaal. Ik blijf met een wrang gevoel achter als ik denk aan alle lotgenoten die dit moeten doorstaan. Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die gedurende vier uur naast hun telefoon blijven zitten. Die niet het lef hebben hun ‘protocol’ open te scheuren of uitleg te vragen aan de verpleger, uit angst voor de waarheid. En die dus met de daver op het lijf zo’n telefoontje zitten op te wachten. DOODSbang. Angst die volop gevoed wordt door het lange wachten. ‘Ze wacht tot ze veel tijd heeft om te bellen want ze weet dat het een moeilijke telefoon wordt’. Lange, bange uren…

 

Kan het even sneller, ja? ’t Is maar dat dit nèt iets lastiger is als wachten op de uitslag van de Lotto…

 

11:59 Gepost door Cancer Chick | Permalink | Commentaren (18) | Tags: borstkanker controle |  Facebook |