23-04-07

Prettig gestoord (23-04-07)

Eén van de zaken die allicht veranderd zijn door de kanker, is het feit dat ik zonder de minste twijfel nog meer prettig gestoord geworden ben dan ik al was.

Als ik vandaag met de kinderen op stap ga, zijn de rollen helemaal omgekeerd : het zijn zij die al te vaak omwille van plaatsvervangende schaamte hun moeder terechtwijzen met een kijvend ‘Mamaaaa, alstubliéééft, gedraag je’. Vroeger was dat wel eens anders. Vandaag kan het mij minder schelen dan vroeger wat anderen denken, en dat betekent dat ik me vaak laat gaan zonder mij te storen aan de blikken of het oordeel van die anderen.

 

Laatst ging ik naar de schoenmaker in de stad met de vraag of hij mij een product kon meegeven om mijn lichtbruine laarzen donker te kleuren. Dat kon hij niet, zoiets kun je niet zelf, wist hij mij te overtuigen : het lijkt nergens op als je dat zelf probeert door te knoeien met wat donkere schoensmeer. Hij kon dat wel voor me doen met professionele verf, maar dan moest ik mijn laarzen enkele dagen daar laten want hij moest er meerdere lagen opzetten die dan telkens lange tijd moesten drogen. Nu was dat wat lastig want ik had ze ààn, die dag. Ik had geen reserve paar schoenen mee, mijn auto stond 100 meter verder geparkeerd en het regende lichtjes.

Vroeger zou ik gedacht hebben : ik ga me hier niet belachelijk maken, ik ga gewoon naar huis en kom later nog eens terug om mijn laarzen binnen te brengen. Maar tijd is te kostbaar geworden om te verprutsen met dat soort onbenulligheden zoals hier dubbel zo lang over doen dan strikt noodzakelijk was.

Wat was het ergste dat me kon overkomen? Dat ik mezelf belachelijk maakte bij de plaatselijke schoenmaker en een aantal toevallige voorbijgangers? Als het dat maar is, dacht ik en dus vroeg ik hem of hij niet een paar wegwerpsloefjes had. Of plastieken zakjes om aan mijn voeten te binden. Nee, dat had hij niet, en hij was ook niet van plan me te dragen naar mijn auto, voegde hij er nog aan toe. Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Welk geschift vrouwmens krijg ik hier nu binnengegooid’ zag ik hem denken. Ik was niet van plan me zo snel te laten afschepen. Ik wachtte geduldig op een ander voorstel. Plots begonnen zijn oogjes duivelachtig te blinken. ‘Ik heb eigenlijk nog wel een paar schoenen staan dat ik enkele dagen kan missen’ zei hij. Mijn gezicht klaarde meteen op : geweldig! Maar er kwam een grote grijns op zijn gezicht toen hij vervolgde :

‘… t zijn wel herenschoenen…’

Da’s niks, wuifde ik moedig elke weerstand weg.

‘… en ’t is een witte en een zwarte…want ik ben ze aan ’t verven en ik heb er nog maar één gedaan’ lachte hij luidop terwijl hij ze me voor de neus zette, met zo’n blik van ‘als ze zo gek is om dit te doen wil ik wel het risico nemen mijn eigen schoenen mee te geven, dat doet ze nooit!’.

Ik krabte even aan mijn oor bij het aanschouwen van het veel te grote paar herenschoenen, één spierwitte en één pekzwarte, maar hakte zonder veel schroom de knoop door. Ik trok mijn laarzen uit, zette ze op de toonbank en schoof mijn voeten in de clowneschoenen van de schoenmaker.

Dit had hij nog niet meegemaakt : een op het eerste zicht ‘deftige’ dame met knielange rok en nylons die met zijn bloedeigen schoenen, een witte en een zwarte nota bene, de winkel uitstapte.

Bij het buitengaan keek ik snel links en rechts of ik veilig de straat kon over rennen richting auto. Hij keek me verbluft na als ik met opgetrokken knieën in een soort van gazellesprongen de drukke straat overhuppelde richting auto. Tja, probeer maar eens gewoon elegant te lopen met veel te grote schoenen aan je voeten. Mensen staarden me aan alsof ze een spook zagen. ‘Compleet getikt’ zag ik ze denken. Ik moest alleen maar heel hard lachen en wuifde naar hen. Wat was het bevrijdend je daar niks van aan te moeten trekken. Bovendien : zo wisten ze vanavond nog eens wat te vertellen thuis.

 

Ik was nog aan het nalachen toen ik thuis kwam. De kinderen keken me aan met een blik die een mengeling was van vrolijkheid en vertwijfeling. Was ma nu helemaal gek geworden? Moesten ze zich ernstig zorgen beginnen maken of konden ze rustig lachen? Zou het overgaan? Was het besmettelijk? Ze zou dit toch niet doen als zij erbij waren zeker? Konden ze nog ooit veilig de straat op met mama zonder in de grond te zakken van schaamte?

‘Mama die chemo is écht wel op uw hersenen geslagen hoor!’ was hun reactie. Ze waren er niet gerust in. Ik genoot. Wat is het prettig om gestoord te zijn.

09:17 Gepost door Cancer Chick | Permalink | Commentaren (12) | Tags: borstkanker |  Facebook |

16-04-07

Eilandbewoners (16-04-07)

Een levensbedreigende ziekte hebben is soms een verdomd eenzame bezigheid. Hoe goed je ook omringd bent door familie en vrienden, uiteindelijk moet je het alleen doen. Kankerpatienten voelen die eenzaamheid vaak heel scherp aan. Het is een eenzaamheid van een niveau zoals je ze nooit eerder kende, heel fundamenteel en diepgaand. Een extreem gevoel van verlatenheid, een hol gevoel, een gevoel van ‘alleen op de wereld’ te zijn. Heel bizar ook : er staan een heleboel mensen rond je die een vangnet vormen, en toch voel je je soms compleet alleen. Alsof je op een eiland staat met een brede slotgracht rond vol haaien. Iedereen staat aan de overkant te wuiven en te roepen, maar ze geraken niet bij je. Ze kunnen wel honderd keer zeggen hoe erg ze het vinden dat er zoveel haaien zijn, maar niemand krijgt ze weg en je blijft er wel lekker mee zitten. En straks gaat iedereen gezellig naar huis en jij staat daar nog op dat eiland te koekeloeren. Moederziel alleen. Ontnuchterend en pijnlijk. Ik vraag me wel eens af hoe lotgenoten daarmee omgaan. Misschien is dat wel één van de redenen waarom lotgenoten zoveel aan mekaar hebben : omdat alleen zij die manifeste eenzaamheid kennen en snappen. Misschien is dat de reden dat er zoveel spontaan geknuffeld wordt onder lotgenoten. De lotgenoten staan niet aan de overkant van de slotgracht, ze staan mee op het eiland. Eilandbewoners begrijpen elkaar.

 

Ik voel de verlatenheid heel intens aan als ik me zorgen maak over mogelijk herval. Zoals vorig weekend : ik zag dat de vreemde rode vlek op mijn been, die ik de week voordien voor het eerst zag, plots veel groter geworden was. Als ik zoiets zie of voel, iets dat ik niet ken van vroeger en waar ik niet meteen een logische verklaring voor vind, dan ben ik ongerust en bang. En dan, dan ben ik moederziel alleen. Omdat ik niet wéér iedereen wil alarmeren en ongerust maken, en het dus voor mezelf hou. Omdat, zelfs àls ik het aan iemand vertel, dat niet oplucht. Omdat ik me dan bovendien nog eens zorgen moet maken over de mensen die zich zorgen maken en ik er dan liever voor zorg dat ik me zorgeloos zorgen kan maken. Omdat niemand die angst kent en begrijpt, mezelf inbegrepen. Dan kruip ik in mijn schulp, slaap slecht en vlucht in chocolade, cava en lopen. Afreageren. En vanbinnen blijft het knagen, tot een arts mij verlost uit mijn onzekerheid.

 

Als er mij op zo’n moment iemand belt en vraagt hoe het gaat, dan lieg ik, ja. Ik kan toch moeilijk zeggen : ‘Je belt me eigenlijk juist op een moment dat ik bang ben dat ik huiduitzaaïngen heb en dat ik dus binnenkort zal doodgaan, maar voor de rest gaat het wel’. Dan geef je die ander toch zo’n lel voor z’n kop dat ie nooit meer terugbelt?! En dat wil je natuurlijk niet… want laat ons eerlijk zijn : voor veel mensen duurt dit allemaal veel te lang, dat kankergedoe, en die zijn al lang afgehaakt, die hoor je niet meer. Na verloop van vele maanden wordt het soms erg stil rond de kankerpatient. Hij of zij zit er nog mee, maar voor de anderen is het genoeg geweest en gaat het leven weer z’n gewone gangetje. Business as usual.  Dus diegenen die wél nog eens bellen, die wil je niet afschrikken.

 

En de huidvlek? Blijkt ongevaarlijk jeukloos eczeem te zijn, uitgelokt door de Nolvadex. Weeral 'oef'.

De eenzaamheid, de angst, de onzekerheid… het is emotioneel behoorlijk uitputtend. En het is een gigantische evenwichtsoefening om hier goed mee te leren omgaan.

11:38 Gepost door Cancer Chick | Permalink | Commentaren (19) |  Facebook |

08-04-07

Paardenperikelen deel 3 (08-04-07)

’t Was etenstijd thuis bij de paarden en ondanks het feit dat de posities in de kudde inmiddels duidelijk waren is dat een moment waarop de gemoederen nog hoog kunnen oplaaien, onder het motto : ‘Heeft iedereen wel duidelijk begrepen waar zijn of haar plaats is bij deze belangrijkste gebeurtenis van de dag? Zullen wij nog eens krachtig anticiperen op mogelijke pogingen tot staatsgreep binnen de kudde, ingegeven door de niet te onderschatten politiek van de knorrende paardenmaag?’

En zo gebeurde het : één moment van onoplettendheid, Stjarna draaide zich om om voluit naar Signy te schoppen, maar… ik stond er nog tussen in haar ‘dode hoek’ en kreeg loeihard de volle lading tegen mijn benen. Ik ging gillend onderuit en lag te roepen en te jammeren op het betonnetje voor de stallen. Galeon was helemaal over zijn theewater, de gevoelige ziel. Signy kwam meteen bezorgd aan me snuffelen, de lieverd, en Stjarna… die zag haar vergissing in maar ging zonder een krimp te geven wat verder ongegeneerd en onbewogen hooi eten. Typisch.

Ik riep om hulp want ik durfde niet opstaan, de pijn sneed vlammend door mijn linkerknie. Die eerste momenten was het moeilijk de ernst van het letsel in te schatten, de pijn was allesoverheersend, en ik moest even bekomen van het schrikken. Toen er na vijf minuten nog geen hulp kwam opdagen begon ik mezelf redelijk belachelijk te voelen met mijn kikkerperspectief op mijn mini-kudde, ik zag de paardenneuzen uit mijn ooghoeken als door een groothoeklens mijn wangen beroeren, geen gezicht. Bovendien kreeg mijn poep kou op het betonneke, dus ben ik uit armoedig gebrek aan aandacht dan maar zelf voorzichtig rechtgekrabbeld en gelukkig, het ging.

Het bloed liep van mijn been in mijn schoen en ik hinkte naar binnen. Lukas zat te studeren op zijn kamer, zag dat het meer was dan een krasje en nam me mee naar de badkamer om me te verzorgen. Hij gaf me de zalf, een verbandje en vooral het warme gevoel ‘er wordt voor me gezorgd’. Dat was de eerste keer in mijn leven dat ik door hem werd verzorgd in plaats van omgekeerd en ik was helemaal vertederd door de wat onbeholpen manier waarop hij dat deed, nog moeilijk een evenwicht vindend tussen stoer en zacht. Een macho-puber die heel even achter zijn coole façade laat gluren, schattig.

 

Even later moest ik naar Antwerpen vertrekken voor de Pink Ribbon avond van Radio 1, dus griste ik nog snel een ijszak uit de vriezer om op mijn knie te leggen en vertrok. Misschien toch niet zo’n goed idee, achteraf gezien. Ik moest ook weer zo nodig de flinke uithangen. Naarmate de avond vorderde, voelde ik dat het de verkeerde kant uitging met mijn been. Mijn hart bonkte in mijn knie en het blééf maar bloeden. Mijn escorte die avond, twee lotgenoten die ook wel wat gewoon zijn, vonden het welletjes geweest en begeleidden mij die nacht nog naar de Spoedgevallendienst. Daar zaten we dan om middernacht : drie borstkankermadammen op stap, eentje nog met kale kop en sjaaltje, eentje met 1,37 cm haar en ik met inmiddels 4,21 cm. Alledrie doodmoe maar een beetje opgelaten : het was een leuke avond geweest en dit was wel een heel ‘originele’ manier om hem af te sluiten. Het was zelfs een verfrissende ervaring om nog eens voor iets banaals in het ziekenhuis te komen, dat zijn we niet meer gewoon... ‘We hebben al voor grotere vuren gestaan meneer’, zei d’er eentje doodgemoedereerd tegen de verpleger. Hij glimlachte en knikte begrijpend. Hij dacht er het zijne van, van dit tafereel met drie giechelende overjaarse kankerpubers. ’t Is waar, ’t is toch maar een snee in een been? Dat is binnenkort alweer vergeten, als het dat maar is.

Ik werd snel geholpen. De RX toonde dat er gelukkig niks gebroken was en de wonde werd gehecht. Onder zachte dwang heb ik me die nacht nog laten naar huis voeren door de borstkankermadammen, Sisters in Arms. ’t Is wel erg laat geworden voor hen… maar we kunnen er alweer om lachen. En lachen met elkaar en om elkaar, ’t is ons lang leven. Hopen we.

 

Twee dagen heb ik met krukken gelopen, en daarna was het alweer spectaculair beter. We zijn nu twee weken verder : de draadjes zijn er uit en buiten vier hoefafdrukken in alle kleuren van de regenboog zijn de sporen grotendeels gewist. Mijn been is nog wat gezwollen : de wonde blijft ontstoken en vraagt wat langer zorg dan voorzien.

Ik heb het die eerste week wat rustiger aan moeten doen, en weinig kunnen sporten. Deze week ben ik alweer in volle aktie, gelukkig maar. Ik moet er niet aan denken dat ik opnieuw geïmmobiliseerd zou geweest zijn… dan werd ik gegarandeerd gek. Mijn loopmantra is intussen namelijk behoorlijk heilig geworden.

 

 

 

10:34 Gepost door Cancer Chick | Permalink | Commentaren (9) | Tags: borstkanker |  Facebook |

04-04-07

Paardenperikelen deel 2 (04-04-07)

Wat hebben paarden met kanker te maken? Niks. Of alles. Er is in deze periode van mijn leven zowieso nog altijd heel weinig dat niét met kanker te maken heeft, er niet door beïnvloed of gekleurd wordt. Wennen aan dat nieuwe leven na de kanker is een klus die je niet van vandaag op morgen klaart, het heeft tijd nodig en tot zover heeft alles wat ik onderneem of nalaat op één of andere manier nog steeds met kanker te maken. Tot vervelends toe. Zo is het bijvoorbeeld dankzij de paarden dat ik vorige week besefte dat ik toch al een evolutie heb doorgemaakt in mijn denkproces. Soms moet een mens eens achteruit kijken om te beseffen dat ie al een heel eind vooruit gegaan is.

 

Een klein jaar geleden, kort na de diagnose, heb ik in de eerste paniekreactie overhaast twee paarden verkocht. We hadden er immers nog zes, en één gedachte was overheersend : wie zal er voor de paarden zorgen als ik er ‘morgen’ niet meer ben? Als ze me niet hadden tegengehouden had ik ze toen in mijn fatalisme misschien wel allemaal verkocht. Gelukkig waren er enkele goede zielen die me afremden : ‘Zou je toch niet even wachten tot volgend jaar en zien hoe de zaken evolueren? Dan kan je nog altijd verkopen als je wil’. Gelijk hadden ze. Vandaag ben ik blij dat ik er nog heb.

 

Het overviel me totaal onverwacht : enkele weken geleden kwam zowaar het idee in me op om één van de merries terug te laten dekken. Voor u een banale gedachte zonder veel diepgang. Voor mij is dat wel eventjes héél anders. Vandaag een merrie laten dekken betekent : volgend jaar een veulen om te helpen geboren worden, de daaropvolgende drie jaar regelmatig naar de begrazing gaan om het op te zoeken en binnen vijf jaar inrijden.

DAT IS TOEKOMSTPERSPECTIEF!

Het drong maar druppelsgewijs tot me door dat ik voor het eerst sinds een jaar  terug wat verder vooruit durf denken en plannen. Het geeft nog een onwennig gevoel, zo’n beetje als iemand die na wekenlang in het gips gelegen te hebben voor het eerst terug zijn been gebruikt : voorzichtig, heel voorzichtig op leunen, bang dat het terug zal breken, en nog niet te luid roepen dat het lukt.

Niettemin : ik ben blij dat ik zover ben, dit is weer een grote stap voorwaarts. Als ik terug kan beginnen plannen en vooruitkijken, liggen alle mogelijkheden weer open.

 

Zo zie je maar dat ook de paarden hun rol spelen in de kanker, en een stempel drukken op mijn leven.

Alhoewel, soms iets te nadrukkelijk, zoals zal blijken uit het vervolg van het verhaal.

 

 

 

Galeon

17:12 Gepost door Cancer Chick | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook |

02-04-07

Paardenperikelen deel 1 (02-04-07)

Vier paarden hebben we nog, gangenpaarden. Drie staan er hier thuis en eentje staat op het natuurgebied in Webbekom in het kader van een begrazingsproject. Gangenpaarden onderscheiden zich van andere paarden doordat ze naast de traditionele stap, draf en galop nog een vierde gang hebben, de tölt, en soms nog een vijfde gang : de telgang. De tölt is een bijzonder comfortabele gang die uren rijplezier verzekert : je wordt niet dooreengeschud zoals op een dravend paard omdat het een gang is zonder ‘zweefmoment’. Begin 17 de eeuw waren de meeste paarden gangenpaarden en werden dravers wat oneerbiedig ‘boneshakers’ genoemd. Tegen het einde van diezelfde eeuw waren de gangenpaarden echter bijna uitgestorven ten voordele van de boneshakers, omdat die meer geschikt waren voor het trekken van karren en koetsen, voor races en voor springen. Die evolutie heeft zich in de daaropvolgende eeuwen doorgezet. Vandaag weten vele paardenliefhebbers zelfs niet meer van het bestaan van gangenpaarden.

 

Twee van de vier zijn IJslandse paarden : een eerder klein, robuust en oersterk ras dat al sinds de tijd dat de Vikingen ze gebruikten op hun veroveringstochten bloedzuiver gebleven is. Ze hebben van die geweldige IJslandse namen waar een leek gegarandeerd zijn tong op verstuikt : de alfa-merrie is Stjarna fra Walrot en haar dochter is Signy fra Smjörsvöllur. Vorige zomer, kort na mijn diagnose, verkocht ik in allerijl nog twee exemplaren : Kaufteinn fra Hafdal, telg uit de Saudarkroki-lijn, en Lukka fra Smjörsvöllur, dochter van Eyfirdingur fra Akureyri.

Bent u nog mee?

Dan is er natuurlijk nog mijn grote liefde ‘Galeon’, een Paso Peruano, en het veulen Allegria van de Botervelden, een kruising tussen IJslander en Paso, wat dan een Aegidiënberger heet.

 

De veulens vertrekken in hun tweede levensjaar naar de begrazing en blijven daar drie jaar. Ze leven daar als het ware in wild, beleven een fantastisch jeugd en worden opgevoed door de kudde. Als ze vier zijn komen ze terug naar huis. Ze zijn dan heel ‘gezond in het koppeke’ en rijp om ingereden te worden. Twee zondagen geleden was het zover voor Signy : ze wordt vier in april en dus heb ik haar ‘uitgeschaard’ uit de kudde en naar huis gebracht. Hier moest ze weer geïntegreerd worden in de mini-kudde, bestaande uit Stjarna en Galeon, en dat loopt niet altijd zo gesmeerd. Als er een nieuwe in de groep komt, dan moeten er opnieuw posities bepaald worden en dat gaat er wel eens hevig aan toe. Ook nu had ik Signy eerst enkele dagen apart gezet, zodat er wel oog- en neuscontact was maar geen full-body contact, omdat de spanning voelbaar in de lucht hing. Na enkele dagen zette ik ze dan bijeen : ze hadden elkaar al afgetast en non-verbale signalen uitgewisseld, en in principe moeten er dan alleen nog wat formaliteiten uitgevochten worden, de puntjes op de i gezet worden, zeg maar. Stjarna, vol zelfvertrouwen als altijd, liet er met haar lichaamstaal en wat welgemikte schoppen geen twijfel over bestaan dat er aan haar status als alfa-merrie niet te tornen viel. Dochter op of af, IK ben hier de baas, straalde ze uit. Een alfa-merrie is de ‘operationele leider’ van de kudde. De hengst is alleen formele leider, beschermt de kudde en zichzelf tegen jonge rivalen, maar het is de alfa-merrie die bepaalt waar de kudde naar toe gaat en wanneer, en die de belangrijke beslissingen neemt. Eigenlijk leven paarden zo’n beetje in een matriarchale maatschappij.

Galeon, de grote stoere zwarte ruin met hengstenallures, beresterk maar met peperkoeken hartje, moet gedacht hebben ‘Haha, een nieuwe erbij, dit is mijn kans om te ontsnappen uit de kille kelder van de laagste in rangorde, ik ben het beu onderaan te bungelen.’ Hij kromde zijn hals en maakte zich extra groot, danste met hoog opgeheven benen en staart door de piste en snoof luid, in een poging indruk te maken op Signy. Helaas. Signy haalde met opengesperde bek uit naar zijn kont en beet er keihard in. Galeon schrok zich rot en maakte zich uit de voeten. Hij kromp tien centimeter en brieste nerveus. Eén uithaal en het pleit was al beslecht. ‘Verdikke, weer zo’n feeks die ik niet de baas kan’ zei zijn lichaamstaal. Ik had medelijden met hem, de sukkelaar : hij ziet af met z’n sterke madammen, niks heeft hij te zeggen. En zo was het al snel een uitgemaakte zaak : de dames hebben de broek aan en Galeon schikte zich noodgedwongen in zijn lot als volgzame sloef.

 

De auteur wijst alle verantwoordelijkheid af voor mogelijke gelijkenissen met bestaande familiale relaties, gezinssituaties of maatschappelijke trends.

 

 

Signy op de begrazing, uiterst links.

11:49 Gepost door Cancer Chick | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |